may 12, 1931 - last upd. 13/6 -1931 - Gouverneur van Suriname rede bij de opening der Koloniale Staten
op Dinsdag 12 Mei 1931 ‘Men verwacht een aan zienlijke verschuiving in de richting van
den vrijen arbeid’. Hoe heet dan de andere, nu de slavernij toch afgeschaft is? Deze heet
contractarbeid en wordt voor een groot deel uitgeoefend door "koelies" die men uit China,
India of Indonesië geïmporteerd heeft.
Description:
Over de Chinese tragedie hebben wij in dit boek reeds vroeger geschreven. Zij lokte niet uit tot een spoedige herhaling der proef. Liever wilde men de kans eens met Brits-Indiërs wagen, waarvan men verwachtte dat ze minder intelligent en ook minder opstandig zouden zijn dan de Chinezen.
Tussen Nederland en Engeland werd daarom onder gouverneur van Idsinga op 8 September 1870 een traktaat gesloten, betreffende de immigratie van koelies uit Brits-Indië naar Suriname en op den 5en Juni 1873 bereikte het eerste koelieschip Paramaribo. De harten veler Hollanders klopten sneller, nu onder deze nieuwe vorm de oude slavenhandel herleefd scheen.
Ook de methodes der slavendrijvers schenen wel herleefd, want op 8 Oktober 1876 werd het bericht ontvangen van den immigratie-agent te Calcutta, dat Engeland de immigratie van koelies uit India geschorst had.
Over hen schrijft Helman in zijn boek Zuid Zuid-West: Kan het vreedzamer?
‘Laat U niet bedriegen door de luidruchtigheid der Hindoes, die bijna allen “koelies” zijn, want hun wezen is heel stil en ingekeerd. Zij zoeken naar een synthese van uit- en inwendige harmonie. Zij zijn spaarzaam en sober, zozeer zelfs, dat zij van allen de armelijkste indruk maken. De mannen lopen half naakt, met een wijde doek om de magere dijen. Maar op hun feestdagen hebben ze een kleurig overkleed van oranje of roze zijde, en hun sluike haren glimmen van de olie.
De vrouwen daarentegen zijn ook op weeksche dagen met veel smaak gekleed, en zijn zeer ingetogen onder hun sluiers, die in de straat als feestelijke vlaggen om de voorbijgangers zweven.
In de buitenwijken staan ze des morgens vroeg voor hun hutje, en wassen zich met veel zorg uit geschuurd koperen potten. Hun huisraad bestaat meestal uit niet veel meer dan dit, en een gevlochten divan.
Ze slapen niet op den grond, zoals de negers. De stilte van het veld dat zij bebouwen, het zonlicht dat over de lage struiken huppelt en aan elk blaadje wasdom brengt, vervult ze van de wonderlijkste gedachten. Daarom zingen ze meestal bij het werk, of neuriën coupletten uit de Veda's. Hun naaktheid en armoede belet ze niet heel veel te weten.’
Added to timeline:
Date:
Images:
![]()